Algemeen

Iedere houttoepassing stelt zijn eigen eisen aan de eigenschappen van hout.
Voor constructietoepassingen is de sterkte het belangrijkst.
Voor maathoudend buitenschrijnwerk (ramen en deuren) is zowel de sterkte als de duurzaamheid tegen vocht en de aantasting door schimmels en insecten van groot belang.

Kortom is het van belang om hout zodanig toe te passen dat de meest gunstige eigenschappen maximaal tot hun recht komen en de minder gunstige geen noemenswaardige nadelen oplevert voor de toepassing.

Kernhout en spinthout

Bij veel houtsoorten kan men duidelijk het onderscheid maken  tussen het lichtgekleurde spinthout aan de buitenzijde en het donkerder gekleurd kernhout.
De meeste bomen vertonen in een jong stadium nog geen donkere kern en bestaan dan geheel uit spinthout.

Wanneer bomen volwassen worden (meestal na 20 -30 jaar) begint het houtweefsel van binnenuit zijn functie bij de levensprocessen van de boom te verliezen.
Afzettingen van allerlei stoffen in de cel- en vezelholten en ook in de celwanden vinden dan plaats.

Het transport in en uit het weefsel waaruit de kern zich ontwikkelt vindt dan niet meer plaats door de vaten, maar langs de stralen.
Het doortrekken van de zich ontwikkelde kern met harsen, gommen, looistoffen en allerlei gekleurde organische stoffen heeft tot gevolg dat het kernhout een bescherming krijgt, een natuurlijk verduurzaming, tegen aantasting door schimmels en insecten.
Het kernhout wordt dus van natuur resistenter dan het spinthout, terwijl de sterkte-eigenschappen van kern en spint vrijwel gelijk zijn.
Het kernhout heeft in dit stadium nog slechts de functie om de boom stevigheid te geven en de kroon te helpen dragen.

De duurzaamheid is daarbij afhankelijk van de houtsoort.
De inhoudstoffen van het hout geven het kernhout een donkerder en specifiek te onderscheiden kleur ten aanzien van het spint.

Bomen die kernhout vormen kunnen hoge leeftijden bereiken die veel hoger liggen dan houtsoorten zonder kern.
Het vochtgehalte in de kern is aanzienlijk lager dan het omringende spint dat doorgaans verzadigd is met water.
Grenen, eik, rode meranti, afzelia, sipo en afrormosia zijn voorbeelden van houtsoorten die kernhout bevatten.

Bij andere houtsoorten treedt de vorming van kernhout pas op zeer late leeftijd op waardoor de kern en spint zelfs bij hele dikke stammen nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn.

Bij bomen die normaal geen kern vormen, kan een valse kern zich ontwikkelen.
De oorzaak is een reactie van de boom tegen ziekteverwekkende schimmels die in de stam kunnen binnendringen via afgebroken takken en verwondingen aan de stam.
De boom vormt daarbij thyllen in de vaten en zet tevens stoffen af in het hout om het te beschermen tegen verdere aantasting.
Dit hout is duurzamer geworden, maar is desondanks ongewenst aangezien het een te groot kleurverschil oplevert voor blank hout en omdat het moeilijk te impregneren is (verduurzamen).

Vlakken en richtingen

 

 

We onderscheiden bij hout drie vlakken:

· Het kopse vlak (dwarsvlak) is ieder vlak dat loodrecht staat op de lengteas van de stam.

· Het radiale vlak (B) is ieder verticaal vlak dat door de lengteas van de boom gaat.
Radiale secties worden gezaagd langs de stralen of doorsnede van de stam, loodrecht op de jaarringen.
Dit hout wordt ook kwartier gezaagd hout genoemd omdat het hout in kwarten wordt gezaagd.
De jaarringen zijn op de gezaagde stukken zichtbaar als parallelle lijnen.
Omdat er slechts relatief weinig grote perfect kwart-gezaagde planken kunnen worden gezaagd uit de stam, zijn ze duurder.
Omdat de dichte donkere jaarringen zich dichter bij elkaar bevinden, levert deze zaagtechniek meer slijtvaste planken op.

· Het tangentiale vlak (A) is ieder verticaal vlak dat niet door de lengteas van de boom gaat, maar evenwijdig loopt aan de lengteas.
Tangentiële secties worden daarentegen loodrecht op de stralen en evenwijdig aan de jaarringen gezaagd.
De jaarringen zijn op de gezaagde stukken zichtbaar als onregelmatige, golvende patronen.

 

 

Kwasten

Takken die de kroon van de boom vormen veroorzaken een verstoring in het weefsel van de stam.
In de door de mens aangeplante productiebossen, waar de mens inspraak heeft in de ontwikkeling van het bos en de individuele boom, wordt het groeiproces van de boom dermate beïnvloed zodat de jonge boom een zo lang mogelijke rechte en takvrije stamvorm krijgt.

In een dicht, jong bos sterven de onderste takken van de kroon tijdens de lengtegroei vrij snel af door een gebrek aan zonlicht.
Ze worden dor en bros en breken tijdens een storm gemakkelijk dicht bij de stam af.
Wanneer de boom verder groeit wordt deze plaats overgroeid door het actieve cambium.
Deze vergroeiing met het actieve weefsel is bij het open zagen te zien als een losse of vaste kwast bij het hart van de stam.

 

 

 

Takken hebben hun oorsprong in het hart van de stam en groeien samen in dikte.
De diktegroei van de tak stopt echter wanneer de tak afsterft.
Breekt de tak glad af langs de stam, dan vormt zich een vaste kwast.
In het andere geval wordt het dode uitstekende stompje bij het doorgroeien van de boom wel overgroeid, maar er ontstaat geen binding tussen het stompje en het overgroeiend weefsel met een losse kwast als gevolg.
Vooral losse kwasten veroorzaken een waardevermindering van het hout.
Bij naaldbomen worden de losse kwasten soms door de afscheiding van hars vastgekleefd.
Om een goede kwaliteit van het zaaghout te bekomen, worden de takken gesnoeid.

Bij een takvergroeiing en het overgroeien van de takstomp groeien de vezels van het stamhout om de ingroeiing of stomp heen.
Als men rechtdradig hout wenst, moet men  bij het verwerken de zware tak vergroeiingen vermijden.
In het andere geval of wanneer men kort langs de vergroeiing zaagt, dan zal het hout ter plaatse een sterk afbuigende draad of korte draad verkrijgen.
Dit heeft tot gevolg dat hout bij het drogen op die plaatsen sterk krom gaat trekken omwille van een anders gerichte krimp.

Afgebroken of dode takken kunnen op deze plaats inwateren en inrotten in de stam veroorzaken.
Rondom deze plaats kunnen op relatief grote afstand verkleuringen en zelfs rot ontstaan.
Bij rondhout zijn deze gebreken te herkennen aan een gat of een bult in de stam of ook wel aan de tekening in de bast.
 

Draad

De wijze waarop het verloop van de structuurelementen (textuur) zijn gerangschikt ten opzichte van de lengteas wordt omschreven als de draad.
Men onderscheid de rechte draad, kruisdraad, spiraalgroei, warrige draad, golvende draad en onregelmatige draad.
 

Nerf

Hout is opgebouwd uit kleine of grote elementen en wordt omschreven als de nerf.
De diameter van de vaten, de hoogte en breedte van de stralen, de doorsnede van de vezels en groeiringbreedte spelen een rol bij de aard van de nerf.
Men onderscheid een fijne, matig fijne, matig grove en grove nerf.
Men moet duidelijk het onderscheid maken tussen nerf en draad aangezien het verschillende begrippen zijn die soms door elkaar gebruikt worden.

Tekening

Het uiterlijk van de verschillende weefsels samen met de draadrichting en nerf bepalen de tekening van het hout.
Ringporige houtsoorten en semi-ringporige houtsoorten zoals eik en grenen vertonen op het tangentiale vlak (dosse) een vlammenpatroon.

Kleur

De natuurlijke kleur van het hout kan variëren binnen de boomsoort, maar zelf binnen dezelfde stam.
De kleur kan het kappen van de boom en ook na de verwerking van het hout, omwille van het verlies aan vocht, aan verandering onderhevig zijn.
Ook licht kan oorzaak zijn van grote kleurveranderingen, net als lucht (zuurstof).

Doorgaans worden van nature donkere houtsoorten lichter en lichte houtsoorten donkerder.
Gezien de grote kleurvariaties die binnen dezelfde houtsoort kan voorkomen, moet de kleur als indicatief worden beschouwd.

Glans

Net als de kleur kan de glans erg verschillen tussen de verschillende boomsoorten, dezelfde boomsoort en binnen dezelfde boom.
Het radiale vlak glanst het meest en hierop wordt de glans beoordeeld.

Geur

Sommige houtsoorten hebben een uitgesproken geur die het meest uitgesproken is bij vers hout.
De geur kan een belangrijk kenmerk zijn bij het onderscheiden van houtherkenning waarbij de geur kan gereactiveerd worden door met mes in de langs richting van het hout te schrapen.

Smaak

Smaak is voor sommige houtsoorten kenmerkend.
Zoethout smaakt zoet, terwijl ceder dat gebruikt wordt voor potloden zuur en bitter smaakt.

Onvolkomenheden

Afwijkingen kunnen reeds bestaande zijn in de stam of kort na het vellen ontstaan, waardoor het hout aan waarde verliest.
Ze kunnen ook ontstaan na bewerking of gebruik van het hout.
Men maakt een onderscheid  tussen:

· afwijkingen in vorm en doorsnede van de stam

· afwijkingen in het hout ten gevolge van afwijkingen in de anatomische opbouw

· beschadigingen door schimmels en insecten

· beschadigingen en afwijkingen door weersinvloeden